Korte geschiedenis van samenlevingsvormen

inleiding

Eerder beschreef ik de samenleving als organisme met een opbouw- en een afbraakpool en een bemiddelingsorgaan dat de balans bewaard tussen de beide polen. Het idee van de samenleving als organisme kan op verschillende plaatsen en in verschillende tijden op verschillende manieren tot verschijning komen. Als het waar is dat elke samenlevingsvorm een uitdrukking is van het idee van de samenleving als organisme, dan moet dat in de geschiedenis zichtbaar zijn. Ook moet zichtbaar zijn hoe latere samenlevingsvormen zich ontwikkelen uit eerdere samenlevingsvormen volgens de ontwikkelingswetmatigheden van een organisme. Het kan ook zijn dat er vervormingen plaatsvinden, omdat er eenzijdigheden worden ontwikkeld of uit evenwicht situaties ontstaan. Kortom: wat gebeurt er als we samenlevingsvormen bestuderen vanuit het idee van de samenleving als organisme zoals Goethe het plantenleven onderzocht vanuit het idee van de oerplant?

Graag vertel ik een korte geschiedenis van samenlevingsvormen om te laten zien hoe oer-ideeën zich door de geschiedenis heen op verschillende manieren manifesteren, te beginnen met het tijdperk van 3000 jaar voor Christus tot ongeveer 800 v.Chr., een tijdperk dat ik zou willen benoemen als het tijdperk waarin de mensen leefden in het mythisch bewustzijn. 

het tijdperk van het mythische bewustzijn

De gewone mens was zich feitelijk meer bewust van het geheel waar hij deel van uitmaakte, dan van zichzelf. Hij voelde zich Soemeriër, Babylonier, Jood of Egyptenaar. Hij identificeerde zich vooral met het volk waar hij deel van uitmaakte, was verbonden met zijn volksgenoten via het bloed, dat gebonden was aan het land. Bloed en bodem, begrippen die in onze tijd vervelende associaties oproepen. Destijds hadden de volkeren stamvaders. Het Joodse volk had Abraham, Isaak en Jakob. De Arabieren hadden Ismaël als stamvader. Weer andere volkeren hadden weer anderen stamvaders. Volkeren werden geleid door priester-koningen die werden opgeleid in de zogenoemde mysterie-scholen. In die mysterie-scholen ontwikkelden de priesters en priester-koningen hun bewustzijn voorbij het mythisch bewustzijn. Ook leerden ze er de geschiedenis van hun volk kennen alsof het hun eigen biografie was. De leiders van een volk beleefden zichzelf als het ware als het volk zelf, het volk als persoon met een biografie, met volkseigenschappen en volksdoelstellingen. Dit door scholing verruimde bewustzijn stelde hen in staat om leiding te geven aan het volk, dat dus een ander bewustzijn had dan hun leiders. De gewone mensen zagen de priester/koningen als hun ‘ik’, als Godenzonen en -dochters, en in zekere zin waren ze dat ook, ze waren immers ingewijd in de oerwijsheid van dat specifieke volk.

Wat de tegenwoordige mens hiervan kan leren is dat zij hun bewustzijn dienen te ontwikkelen voorbij het huidige bewustzijn om de crisis, waarin de wereld tegenwoordig verkeert, op te kunnen lossen. Onze leiders, uitzonderingen daargelaten, lijden eerder aan bewustzijnsvernauwing dan dat zij hun bewustzijn ontwikkelen. Tegenwoordig kan ieder individuele mens door scholing zijn bewustzijn ontwikkelen en zich verdiepen in de geschiedenis ‘alsof het zijn eigen biografie is’. De Veerhuis Academie sluit aan bij de oude mysterie-scholen en de school van Plato en heeft onder andere tot doel voorwaarden te scheppen voor mensen om hun bewustzijn te ontwikkelen voorbij het huidige bewustzijn. Later kom ik terug op wat mijns inziens de volgende bewustzijnsstap is.

De oerprocessen van elke samenleving

De geschiedenis van samenlevingsvormen bestuderend, herken je de drie oerprocessen van elke samenleving. Altijd al bestond de samenleving uit mensen. Samenlevingsvormen ontwikkelen zich op basis van het beeld dat de mens van zichzelf heeft. Altijd al. In de oude mysterie-scholen ervoeren de mensen zichzelf als een eenheid die bestaat uit geest, ziel en lichaam van goddelijke oorsprong en met een goddelijke bestemming. Tegenwoordig leren we op de scholen en universiteiten dat de mens een complex van fysische- en chemische processen is, door toeval ontstaan, dat na de dood weer in stof uiteenvalt. De huidige samenleving is gebaseerd op een materialistisch mensbeeld, op het idee dat alles, ook leven, is te begrijpen als fysische- en chemische processen, als doodsprocessen. Eerdere samenlevingsvormen terwijl tot zeg de Franse Revolutie zijn gebaseerd op het idee dat de mens een geheel is van geest, ziel en lichaam.

Die samenlevingen kenden drie kerntaken:

lichaam: de mensen in de samenleving dienen voorzien te worden in hun materiële behoeften, er dienen dus goederen geproduceerd te worden. Het maatschappelijke domein dat in die fysieke behoeften voorziet, is de economie,

ziel: de mens als ziel dient zich te kunnen vernieuwen, letterlijk, in de zin van jonge mensen worden geboren, ze worden volwassen, ze ontwikkelen zich en sterven weer, en ook iets minder letterlijk, in de zin van ‘bildung’, opvoeding, zorg, wetenschap, religie, kunst en verder alles wat met de niet-materiële behoeften te maken heeft. Het maatschappelijke domein dat in deze behoeften voorziet, is het culturele- of sociale domein, of ook wel de ontwikkelingspool van de samenleving,

geest: ten slotte willen mensen hun onderlinge betrekkingen regelen in een bepaalde geest. Voor zover ik na kan gaan zijn dat er eigenlijk maar twee, de geest van liefde & vertrouwen (de geest van waarheid) en de geest van angst & controle (de geest van de leugen, de geest van verdeeldheid). Het maatschappelijk domein dat dit tot haar kerntaak heeft, is het recht of het rechtsleven.

Het mythische bewustzijn (3000 v.Chr. – 800 v. Chr.)

De twee oer-vormen van samenleving

In oude tijden stond de priester-koning aan de top van een hiërarchisch georganiseerde samenleving. Het volk diende één priester-koning, ze hadden één geloof/cultuur dat van buitenaf/bovenaf werd opgelegd, ze vormden gezamenlijk één gesloten economie (d.w.z. ze waren zelfvoorzienend), de onderlinge betrekkingen werden geregeld en gehandhaafd door de priester-koning en zijn priesters. Dat is de ene oervorm van de samenleving.

Daartegenover waren er platte samenlevingsvormen bestaande uit stammen en families die over de uitgebreide vlakten zwierven, zich voor kortere of langere tijd vestigden op bepaalde plaatsen om daar vormen van landbouw te bedrijven en verder jaagden en verzamelden ze. Deze stammen werden geleid door een stamoudsten (verzorgde de onderlinge betrekkingen) en door een geestelijke leider, druïde, sjamaan of medicijnman (verzorgde de ontwikkeling/vernieuwing van de mensen, de cultuur). Gezamenlijk voorzagen ze zichzelf en elkaar in hun materiële behoeften. Dat is een andere oervorm van de samenleving.

Kwamen twee stammen elkaar tegen, dan werd het of vechten, of feestvieren waarbij er een uitwisseling was van goederen en vrouwen voor het verse bloed. 

Ook de stammen voelden zich een eenheid vanwege het bloed. Ook de stammen voelden zich verbonden met land.

Het Griekse- en Romeinse rijk als synthese van de oer-vormen (800 v. Chr. – 500 n.Chr.) 

Vanuit deze oervormen ontstond vanaf 800 v.Chr. de zogenoemde drie-standen-maatschappij. Het oude Griekenland zou als een synthese gezien kunnen worden van deze twee oervormen, het was deels hiërarchisch (het ontwikkelings- en staatsdeel), deels plat (het economische leven). De geestelijke (vernieuwing en ontwikkeling)- en de wereldlijke (onderlinge betrekkingen) macht scheidde zich. Vrije burgers en slaven verzorgden de productie en distributie van goederen. De drie-standen-maatschappij wordt gekenmerkt door het feit dat elk van de kerntaken van de samenleving door een aparte bevolkingsgroep werd verzorgd.

Als een soort anti-these op het oude Griekenland ontstond het Romeinse Rijk, dat ook een vorm van de drie standen maatschappij was. Het grote verschil tussen het oude Griekenland en het Romeinse Rijk, is dat de Grieken nog stamvaders hadden, zich een volk voelden verbonden door bloed en bodem, terwijl de Romeinen het eerste ‘multi-culturele volk’ was. Rome is ontstaan door mensen die uit de eenheid van hun oorspronkelijke volkeren vielen. Het was een samengeraapt zootje. Aangevuld met Sabijnse Maagden, zie dit verhaal: link.

Romeinen waren niet met elkaar verbonden door bloed en bodem, maar door het recht, het Romeinse staatsburgerschap.

Het oude Griekenland evenals het oude Egypte ging rond het jaar 0 ten onder en werd deel van het Romeinse Rijk. In het Romeinse Rijk ontwikkelde zich het Romeinse Recht dat absoluut eigendom van geld, mensen, grond en goederen kende. Dat wil zeggen geld, mensen, grond en goederen waren altijd het bezit van een Romeins staatsburger (altijd mannen), die het konden verbruiken en gebruiken. Ontstond er een tekort aan geld, mensen, grond en goederen, dan werd er simpelweg een nieuw gebied veroverd en leeggeroofd. De beweging van de Romeinen was zo simpel als dat het bruut was. Het Romeinse Rijk was ook een synthese van de twee oervormen, hiërarchisch gestructureerd en plat.

De drie-standen-maatschappij tijdens de donkere middeleeuwen (500 – 1400)

Na de val van het Romeinse Rijk in de vijfde eeuw na Christus ontstond in Europa een nieuwe vorm van de drie-standen-samenleving, ingebed in het Kelto-Germaanse recht dat zich ontwikkelde vanuit het rechtsgevoel van de volkeren die oorspronkelijk in stammenverband zwierven over het land.

In het Kelto-Germaanse recht was geen absoluut eigendom van geld, mensen en grond. Grond werd beheerd door edelen, die zichzelf als leenheren zagen, zij beheerden de grond, zij bezaten het niet. Door middel van het leenstelsel werd grond toegewezen aan lagere edelen, herenboeren en tenslotte de gewone boeren, die het als vrije mensen bewerkten en in ruil voor veiligheid en orde tienden afdroegen aan hun hogere heren.

Ook de handel in mensen hield op tijdens de zogenoemde donkere middeleeuwen. En tenslotte ontstonden in het Kelto-Germaanse recht geldsystemen waarbij het geld zelf geen waarde had. Men werkte niet voor geld, nee, men presteerde om te voorzien in behoeften en dat werd vereffend door middel van tegenprestaties. Alles werd door middel van kerven in stokken of door het zogenoemde bracteaat, éénzijdig beslagen munten, wel mooi, maar op zichzelf niets waard, wel geregistreerd. 

http://wiki.muntenenpapiergeld.nl/index.php?title=Bracteaat

Met andere woorden er was een recht (de edelen) dat kapitaal, arbeid en grond namens de gemeenschap beheerde en er werd alleen gehandeld (door vrije burgers en boeren) in economische waarden, d.w.z. concrete goederen die voorzagen in de de materiële behoeften. En geestelijken (de Rooms Katholieke Kerk) verzorgden de ontwikkelingspool van de samenleving.

En ja, ik idealiseer die tijd, ik schets het rooskleuriger dan het in werkelijkheid was. En toch? Als het gaat om de huidige samenleving te vernieuwen vanuit liefde & vertrouwen, dan kunnen we aansluiten bij de vormen die in die tijd zich ontwikkelden. 

De afzonderlijke mens in die tijd had een merkwaardige vorm van zelfbewustzijn, een vroom ik-ben-een-kind-van-God-bewustzijn en alle mensen zijn kinderen van God. De katholieke kerk bouwde overal kathedralen en de afzonderlijke mensen droegen van heinde en verre hun steentjes bij. Letterlijk.

De moderne tijd van 1400 tot de Franse Revolutie in 1789

Aan het begin van de moderne tijd kwamen twee processen op gang, enerzijds individualisering en anderzijds globalisering.

Individualisering wil zeggen dat de mens zich niet meer wil laten zeggen hoe hij moet denken en handelen, maar dat hij dat voortaan zelf wil bepalen. Hij volgt dus niet meer een autoriteit, nee, hij volgt alleen nog zichzelf. Om zichzelf te kunnen volgen, om het eigen leven zin en richting te kunnen geven, dient hij zichzelf in de wereld te begrijpen. Zodat hij kan handelen vanuit inzicht. 

Dit individualiseringsproces is nog steeds bezig.

De Veerhuis Academie ondersteunt dit individualiseringsproces in de zin dat het de middelen aanreikt om te onderzoeken hoe hij zichzelf in de wereld kan begrijpen, hoe hij ook zijn angst, gevoelens van minderwaardigheid en onzekerheid kan overwinnen om ook daadwerkelijk te handelen vanuit inzicht. 

Aan het begin van de moderne tijd ging dit individualiseringsproces van start toen kunstenaars in 3D gingen werken en hun naam onder hun werk gingen zetten, wetenschappers gingen onderzoeken, ze sneden in lijken, bestudeerden planten en dieren, vonden nieuwe dingen uit, monniken kwamen in opstand tegen de al ene Rooms Katholieke Kerk en eisten dat de afzonderlijke mensen hun geweten mochten volgen, iedereen mocht geloven wat hij wilde, en de burgers ontwikkelden de economie.

Dit individualiseringsproces hield ook in dat de edelen egoïstischer werden, ze voelden zich niet meer de beheerders van het land, dat door God aan hen was gegeven, maar de bezitters van het land, dat via het bloed hen toekwam. Daarom wilden ze aan het begin van de moderne tijd het Romeinse Recht weer invoeren, het absolute eigendomsrecht van niet alleen goederen, maar ook grond, arbeid en kapitaal. De boeren kwamen daartegen in opstand. De kerk koos voor de edelen en keerden zich ook tegen de boeren. Boeren werden bij 100 duizenden afgeslacht. Alleen de Zwitserse boeren wisten te winnen van de edelen en daarom kent Zwitserland een andere ontwikkeling dan de rest van Europa qua recht en besluitvorming. In de rest van Europa (Het Heilige Roomse Rijk) werd het Romeinse Recht weer ingevoerd in het jaar 1499 door keizer Maximiliaan de eerste.

Het was diezelfde keizer Maximiliaan de eerste die op 22 juli 1499 de slag van Dornach verloor en Zwitserland aan de boeren moest laten. Hoewel het op papier wel toetrad tot het Heilige Roomse Rijk, bleef het in werkelijkheid onafhankelijk. 

Het globaliseringsproces volgt uit het individualiseringsproces, de mens wilde de hele wereld ontdekken, de handel uitbreiden, nieuwe gebieden veroveren en leegroven.

Een eerste globaliseringsgolf vond plaats van de 15e eeuw t/m de 17e eeuw. In die tijd werd nagenoeg de hele wereld in kaart gebracht.

In 1776 vond de Amerikaanse Revolutie plaats, Europeanen die waren geëmigreerd naar Amerika en daar vaak op religieuze mensbeelden gebaseerde nieuwe gemeenschappen stichtten verklaarden zich op 4 juli van dat jaar onafhankelijk van Engeland en Frankrijk. 

In Europa vond in 1789 de Franse Revolutie plaats. Vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Beide revoluties markeren een punt in het individualiserings- en globaliseringsproces. Mensen (vrije burgers) wilden voortaan mede de verdere ontwikkeling van de samenleving bepalen respectievelijk zelf nieuwe vormen van samenleven (co)creëren. De uit de middeleeuwen stammende drie-standen-maatschappij was decadent geworden en diende omgevormd te worden in een maatschappij waarbij alle burgers vrij hun eigen ontwikkeling (vernieuwing) kunnen bepalen (het vrije culturele domein, de opbouw- of ontwikkelingspool van de samenleving), mede hun onderlinge betrekkingen kunnen regelen (het gelijke rechtsdomein) en gezamenlijk hun productie op hun consumptie kunnen afstemmen (het broederlijke economische domein).

Tot op de dag van vandaag is dat nog niet gelukt. In zekere zin is de Franse Revolutie (nog) niet tot een goed einde gevoerd.

De lange 19e eeuw van 1789 tot 1914

In plaats van een gezonde omvorming van de drie-standen-maatschappij in een drie-gelede-maatschappij, vonden eenzijdige vervormingen plaats van de drie-standen-maatschappij tijdens de zogenoemde lange 19e eeuw van 1789 tot 1914.

Dit was in de eerste plaats het gevolg van het steeds materialistischer worden van het denken en handelen van de mensen. De mens werd niet meer begrepen als lichaam, ziel en geest, maar zuiver en alleen als lichaam. En net zoals de huidige wetenschap ziel en geest begrijpt als een complex van fysische- en chemische processen, wordt in de huidige samenleving cultuur en recht begrepen als economie. 

Tijdens de lange 19e eeuw vindt de zogenoemde tweede globaliseringsgolf plaats. De wereld wordt niet alleen in kaart gebracht en leeggeroofd, nee, de rest van de wereld wordt gekoloniseerd.

Intussen was het kredietsysteem (het scheppen van geld uit het niets) uitgevonden en geïmplementeerd. De kolonisatie van Zuid-Amerika, Afrika en grote delen van Azië werd gefinancierd door middel van krediet (uit het niets geschapen valuta).

Doel van deze tweede globaliseringsgolf was niet meer alleen het leegroven van de veroverde gebieden, maar het uitbreiden van het rijk en het delven van grondstoffen voor de in Europa zich ontwikkelende industrie.

Tijdens die eeuw vond de industrialisatie plaats. En met het industrialiseren van de economie waarbij mensen genadeloos uitgebuit werden, ontstond het sociale vraagstuk. In plaats van dat alle mensen mede de samenleving verder mochten/konden ontwikkelen, ontstond een rijke elite die alle overige mensen in dienst stelden van hun streven naar winstmaximalisatie, het vergroten van bezit.

Naast de rijke ondernemende elite ontstond in de loop van de 19e eeuw een arme arbeiders massa.

Tegelijkertijd werd in die eeuw dus de hele wereld gekoloniseerd en tegen het einde van de 19e eeuw sloot zich de economie tot één wereldwijde economie. Voortaan waren alle mensen wereldwijd met elkaar verbonden door de productie, distributie en consumptie van goederen die voorzagen in de materiële behoeften.

Vanaf dat moment was gebiedsuitbreiding niet meer mogelijk (tenzij er naar werelden buiten de Aarde gezocht kon worden, niet voor niets ontstonden in die tijd de eerste fantasieën over raketten en reizen naar andere planeten).

Omdat verdere gebiedsuitbreiding onmogelijk was, werd economie een zero sum game, de winst van de een was het verlies van de ander en omgekeerd. Eind 19e eeuw, begin 20e eeuw liepen de spanningen tussen de koloniserende machten hoger en hoger op en dat liep uit tot een eerste Wereldoorlog (1914-1918).