Inleiding

Toen ik zestien was (voorjaar 1981), werd ik me bewust van de schrijnende tegenstelling tussen rijkdom en armoede in de wereld. Dat was tijdens een reis door India met mijn ouders, de zakenpartners van mijn vader en hun aanhang. We verlieten net vol gegeten en gedronken een chique restaurant. Een klein meisje, vies gezichtje, kapot jurkje, vroeg mij om geld. Ze had honger gebaarde ze in internationale gebarentaal. Ik schudde mijn hoofd, want geld had ik niet op zak. Mijn vader droeg de portemonnee. Zij viel op haar knieën met angstige ogen, boog, kuste m’n voeten en keek weer naar me op, haar ene hand wrijvend over haar buik, haar andere hand naar geld vragend omhoog naar mij. Weer schudde ik m’n hoofd. Op dat moment stopte de taxi waarin het hele gezelschap intussen had plaats genomen vlak achter me, deur open, ik werd naar binnen getrokken, deur dicht, de taxi reed door. Door de achterruit zag ik nog net hoe het meisje door een even vies, maar iets ouder jongetje met de vlakke hand in haar gezicht werd geslagen, links rechts links rechts.

Sindsdien is de groeiende kloof tussen rijkdom en armoede ver-400-voudigd. (Hangt af van welke cijfers je gebruikt. Ik kan ook zeggen dat sindsdien de kloof tussen rijkdom en armoede alleen maar is gegroeid. En dat is zeker waar.) Nog steeds bedelen kinderen van vijf, zes, zeven jaar om geld van Singapore tot San Francisco en van St. Petersburg tot Johannesburg, jongens en meisjes. Dit specifieke meisje, zal, als ze nog leeft, nu zo’n 44 jaar oud zijn. Niet alleen dit boek, eigenlijk alles wat ik doe, doe ik voor dit meisje, deze vrouw. En voor al die miljoenen andere kinderen wereldwijd die bedelen, nauwelijks kansen hebben, opgroeien in strijd, angst, armoede, eenzaamheid, liefdeloosheid, zonder zorg, zonder begeleiding en in onzekerheid in een wereld waarin steeds minder mensen steeds rijker worden en steeds meer mensen steeds armer.

Het zomer 2019, ik zit op een bankje in het bos en denk terug aan die in mijn biografie zeer bepalende gebeurtenis. Voor me staat een wilg, ongeknot, een ongeknotte wilg, die ongegeneerd zichzelf is, vind ik, zoals ze haar takken naar alle kanten toe uitstrekt. Om me heen klinkt het geluid van het ruisen van duizenden bladeren van de bomen. Inmiddels ben ik 54 jaar oud.

Al die jaren zocht ik naar wat mijn bijdrage kan zijn aan een oplossing van het groeiende-kloof-tussen-rijkdom-en-armoede-in-de-wereld-vraagstuk, mijns inziens een sociaal vraagstuk.

Ik ging naar Wageningen, deed daar Tropische Cultuurtechniek, kwam vast te zitten in de grondslagen van het sociaal wetenschappelijk denken. Mijns inziens kan de groeiende kloof tussen rijkdom en armoede niet opgelost worden binnen het huidige sociaal wetenschappelijke denken. Ook al beweerden mijn docenten destijds van wel. Ik studeerde af als irrigatie-ingenieur, heel verhaal, en zette mijn onderzoek naar de grondslagen van het denken over sociale vraagstukken voort. Immers, Einstein zei al dat vraagstukken niet kunnen worden opgelost met hetzelfde denken dat die vraagstukken heeft gecreëerd. Het groeiende-kloof-tussen-rijkdom-en-armoede-in-de-wereld-vraagstuk is mijns inziens gecreëerd door een sociaal wetenschappelijk denken van sinds de opkomst van de economie als wetenschap in de loop van de 18e eeuw, tijdens de Verlichting zeg maar. Niet geheel toevallig is met de ontwikkeling van het huidige sociaal wetenschappelijk denken ook het huidige inmiddels wereldwijde geldsysteem ontstaan. Onderzoek naar de grondslagen van het denken over sociale vraagstukken is mijns inziens tevens onderzoek naar de grondslagen van het huidige geldsysteem. Kan ik daarom zeggen dat ik met het ontwikkelen van een denken dat tot werkelijke oplossingen van sociale vraagstukken komt, ik ook de grondslagen voor een nieuw geldsysteem ontwikkel?

In het eerste deel van dit boek beschrijf ik hoe ik mijn denken en voelen heb verdiept tot in het intuïtieve denken, als basis voor vernieuwing van economie en samenleving, een individuele weg, die ieder mens met een beetje goede wil kan gaan.

De ongeknotte wilg, die ongegeneerd zichzelf is, staat aan de rand van een bosvijver nauwelijks zichtbaar achter een dichte riethaag. Er klinkt een koet of een fuut, ik zie de vogel niet. En ik hoor gepiep. Jonge vogeltjes in een nest? Lijkt me niet logisch ergens halverwege de maand juli. Toch is het een gedachte die bij mij opkomt bij het horen van dat geluid. Eigenlijk zou ik op zoek moeten gaan naar een waarneming die mijn aanname bevestigt of ontkent. Wat is de werkelijke oorzaak van het piepen? Maar ik doe het niet. Want ik heb geen zin. Ik zou ook op mijn smartphone kunnen googelen welke vogels nog broeden respectievelijk hun jongen nog voeden in juli. Doe ik ook niet. Googelen in het bos. Bah. Bovendien, wie zegt dat de informatie op het wereldwijde web klopt? Ik zou alleen maar een eigen aanname vervangen voor een nieuwe voorstelling die ik niet zelf kan controleren. Ik laat het piepen los en richt mijn blik op het gras aan mijn voeten. Overal kleine paarse bloemetjes, mooi. Ik adem in en uit, en kijk vervolgens naar de hemel. De zon schijnt warm in een licht bewolkte lucht. Dan word ik afgeleid door een vlinder die aan komt fladderen, om me heen fladdert en weer weg fladdert. Het is de zomer van 2019 en ik zit op een bankje in het bos en mijmer.

Als blanke Europese Nederlands Hervormd opgevoede intellectuele man ben ik enerzijds een product van het moderne westerse denken, van de Europese geschiedenis zeg maar, ik kom voort uit een Joods/Christelijke traditie. Anderzijds zou ik de oorzaak willen zijn van een sociaal wetenschappelijk denken dat tot vruchtbare oplossingen leidt van sociale vraagstukken wereldwijd, niemand uitsluitend, totaal inclusief.

Om mijn denken en voelen te verdiepen tot een intuïtief denken, moest ik me eerst uiteenzetten met de vraag naar de vrije wil. Ik bedoel, het dichten van de kloof tussen rijkdom en armoede is een kwestie van willen. Willen we het of willen we het niet? Dat is dus de vraag. Tot nu toe groeit die kloof alleen maar. Betekent dat dat we de kloof dus niet willen dichten? Of kunnen we de kloof eenvoudigweg niet dichten, omdat we geen vrije wil hebben? We? Ja, wij mensen, die gezamenlijk op deze ene Aarde samenleven.

De vraag naar de vrije wil komt in het volgende hoofdstuk aan de orde, eerst nog even terug naar het zogenoemde intuïtieve denken, dat ik in de loop van de jaren ontwikkelde en dat ik je hoop te leren door middel van allerlei oefeningen in het eerste deel van dit boek, je zou het ook een voelend denken kunnen noemen, of een denkend voelen. Dit zijn de eigenschappen:

  • het is liefdevol, levend, warm en creatief,
  • het is inzichtelijk en beleefbaar, iedereen met een beetje goede wil, kan dit denken oefenen en ontwikkelen,
  • het leidt tot werkelijke oplossingen voor sociale vraagstukken in hele concrete situaties,
  • het is geduldig,
  • het sluit niet uit, discrimineert niet, veroordeelt niet, is niet grof of zelfzuchtig,
  • het is niet boos of bang,
  • het geeft vreugde, het maakt blij,
  • het schept waarheid, schoonheid en goedheid,
  • dit intuïtieve denken voelt gewoon goed, lekker en fijn.

Terugblikkend op mijn leven tot nu toe beleefde ik mijn denken al vanaf jongs af aan. Dat bracht mij in ongemakkelijke situaties, ik begreep mezelf niet in die situaties, men begreep mij niet en ik hun niet. Vanaf jonge leeftijd vervreemde ik van mijn ouders, de school en de kerk en later ook van de economie en de samenleving als geheel. Het leek wel alsof ik in een andere wereld leefde dan mijn ouders, mijn juffies en meesters, mijn docenten, de dominee enzovoorts. In de loop van het eerste deel van dit boek, kom ik met verschillende voorbeelden van botsingen tussen verschillende manieren van denken. Op de universiteit kwam ik compleet vast te zitten in enerzijds ideeën over de wetenschap zelf, over economie en samenleving en anderzijds de docenten die op grond van hun positie gehoorzaamheid verwachtten. Ze kwamen met onderzoeksresultaten die hun koude en liefdeloze ideeën bevestigden. Ik ontmoette hen niet. Hun denken voelde angstig, dood, koud en destructief. Ze gingen het werkelijke gesprek met mij niet aan. Het voelde allemaal helemaal niet goed. En wat wel goed voelde, werd belachelijk gemaakt. Het duurde heel lang voor ik openlijk mijn gevoel durfde te gebruiken als toetssteen of begrippen en ideeën goed, mooi en waar waren. Het duurde lang voordat ik überhaupt vertrouwde op mijn eigen intuïtieve denken. Eerst moest ik het leren kennen en er orde in aanbrengen. Echt, met het tot object van waarneming maken van mijn eigen denken en de begrippen en ideeën die ik denkend produceerde, kreeg ik vaste grond onder de voeten, de grond waarin de fundamenten kunnen worden gelegd voor een nieuwe economie en samenleving.

Ik bedoel, laten we ter afsluiting van deze inleiding eens een aantal ideeën denkend en voelend onderzoeken. Neem de ideeën van de vrije markt economie, de centraal geleide economie en de synthese ervan de centraal geleide vrije markt economie. Niet dat we die hier uitputtend zullen behandelen, in deel twee van dit boek komen we er nog uitgebreid op terug. 

Wat is de idee van de vrije markt nou eigenlijk?

Dat is dat mensen zonder overleg, zonder rekening te houden met elkaar of met een groter geheel, streven naar het eigen geluk in de vorm van zoveel mogelijk bezit, niet alleen van (consumptie)goederen, maar ook van de (productie)middelen, grond, arbeid en kapitaal. Maximaliseren van de winst door te concurreren, heet dat officieel. Met de gedachte dat als iedereen maar streeft naar zoveel mogelijk geluk (lees, winst), er iets zal zijn – een onzichtbare hand??!! – die voor het geluk (lees, welvaart) van het geheel zal zorgen. En? Klopt het? Kijk naar dit idee en voel het. Wat zegt je gevoel? Heb je ooit iets goeds zien voortkomen uit een stel strijdende mensen? Ooit een onzichtbare hand gezien? Stel je voor, je laat op een eiland met duizend inwoners iedereen met iedereen strijden om zoveel mogelijk bezit. Wat gebeurt er dan? Er ontstaat letterlijk een gevecht van allen tegen allen, niemand vertrouwt elkaar, alles wat ook maar een beetje gecreëerd wordt, wordt direct weer vernietigd. Vele doden en gewonden. Uiteindelijk blijft er één iemand over die alles bezit. Of een clubje elkaar wantrouwende jongens, die alles ondergeschikt maken aan respectievelijk in dienst stellen van hun “geluk”. Ik bedoel, kun je nog van “geluk” spreken als het het ten koste gaat van medemensen en grote stukken Aarde?

Met name in de Verenigde Staten van Amerika geloven veel mensen (nog steeds) in dit idee, the American Dream. En ook in het idee dat de overheid geminimaliseerd moet worden. De staat dient in dit idee de voorwaarden te scheppen voor het optimaal functioneren van de idee van de vrije markt.

Tegelijkertijd is er geen ander land in de wereld waar zoveel mensen lid zijn van een kerk, synagoge of moskee. Er is geen ander land met zo veel liefdadigheid. Alsof alles wat gedacht en gedaan moet worden om te kunnen blijven concurreren ter maximalisatie van de winst, op de een of andere manier gecompenseerd moet worden door zoiets als liefdadigheid.

Zo gesteld houdt liefdadigheid ongebreideld kapitalisme juist in stand.

Nee, dan het tegenovergestelde, de idee van de centraal geleide economie. Maak ook dit idee tot object van waarneming en voel het. Dat is het idee dat één iemand of een club elkaar wantrouwende en de poten onder elkaars stoelen omzagende jongens voor iedereen kan bepalen wat er geproduceerd, gedistribueerd en geconsumeerd moet worden. Deze persoon, of dit clubje mannen, bezit bij voorbaat alles, de (productie)middelen grond, arbeid en kapitaal en alles wat zij maar wensen te consumeren. Pas na de val van de muur werd duidelijk in welke luxe en weelde de partijleiders van de Duitse Democratische Republiek leefden. Ongekend. Zij stonden boven de wet. Die was streng en gold alleen voor het gewone volk.

In dit idee van de centraal geleide economie, wordt ook de cultuur bepaald door het centrale gezag. Zo bekeken zijn niet alleen de zogenoemde communistische landen centraal geleide economieën, maar dictaturen waar de sharia geldt. Ook in deze landen staat het onderwijs, de wetenschap, de kunst in dienst van het geloof of de ideologie. Alle kerk, synagoge of moskee wordt verboden en gaat ondergronds. Of juist een bepaald type geloof of kerk wordt tot staatsgeloof of -kerk gemaakt. In een centraal geleide economie is geen vrije kunst, vrije wetenschap, vrije therapiekeuze, vrije meningsuiting, vrije pers.

Voelt het nog goed? Of word je net zoals ik een beetje misselijk?

Het eindresultaat van de vrije markt economie is het uitgangspunt van de centraal geleide economie, lijkt het wel. En omgekeerd? Roept een centraal geleide economie een oorlog van allen tegen allen op? De ontwikkelingen in landen als Syrië, überhaupt in elk land waar de gewone mensen in opstand komen tegen de dictatuur, doen vermoeden van wel.

Werd in een vrije markt economie alles overgelaten aan de individuele mens en was de staat zo klein mogelijk, in een centraal geleide economie is de staat gemaximaliseerd en het individuele geminimaliseerd.

En dan is er ook nog een combinatie van die twee ideeën, de synthese van de centraal geleide en de vrije markt economie, de centraal geleide vrije markt economie zeg maar. Enerzijds is er een markt waarin mensen in een concurrentiestrijd streven naar maximalisatie van bezit van (consumptie)goederen en (productie)middelen, anderzijds wordt door een staat alle ongewenste neveneffecten van een continue onderlinge strijd door middel van wet- en regelgeving geminimaliseerd. Waarbij het heffen van belasting bij de winnaars om het vervolgens her te verdelen onder de verliezers er ééntje van is. Dus enerzijds kunnen de productiemiddelen grond, arbeid en kapitaal vrij worden gekocht en weer verkocht op de markt, anderzijds bepaalt de staat de bestemming van de grond, de voorwaarden waaronder arbeid verricht mag worden en legt het de handel in kapitaal aan banden door middel van allerlei wetten en regels.

Is er überhaupt nog wel iets anders mogelijk dan de vrije markt economie, de centraal geleide economie of een synthese van die twee? Als het gaat om ideeën die op dit moment de sociale werkelijkheid vormen, gaat het om strijd van allen tegen allen, macht opgelegd door enkelen aan allen respectievelijk velen die verlangen naar een centrale macht die orde op zaken stelt, of een combinatie van die twee. Bij geen van die ideeën voel ik me goed. Alle ideeën voelen bij mij cynisch, koud, doods en destructief aan. 

In het tweede deel van het boek beschrijf ik hoe je op grond van een liefdevol, warm, levend en creatief denken je begrippen en ideeën kunt vormen op grond waarvan je – als we de begrippen en ideeën verwerkelijken – een nieuwe economie en samenleving kunt creëren. Zonder kloof tussen rijkdom en armoede.