Geest en materie…

Dit hoofdstuk begint met een een anekdote. Het was eind september 2000, destijds woonde ik met het gezinnetje in wording in een woongemeenschap. Pepijn, onze oudste zoon zou later dat jaar 3 jaar oud worden, Tonja, onze dochter was net geboren, we wisten nog niet dat ze doof was. Melchior onze jongste zoon was nog ergens hoog in de hemel. We zouden naar de zonsopgang gaan kijken met een aantal mensen van de woongemeenschap. Pepijn had ik op m’n schouders gezet, we liepen naar de andere kant van het meertje een eind verderop om de zon goed op te kunnen zien komen. Pepijn, duim in de mond, zat dus op m’n schouders. Ik voelde dat hij iets belangrijks ging zeggen, ik hield m’n mond, voelde hem op m’n schouders zitten. (Hij is nu 21 jaar oud, heeft een eigen leven, heeft een aantal keuzes gemaakt die ik niet zou hebben gemaakt. Als ik nu aan hem terugdenk hoe hij toen was, voel ik me… het heeft geen zin om zo te denken…) En ja hoor, duim uit z’n mond, en hij zei: “Ik weet het wel papa, ik ben niet de zon, ik ben ik.”

stilte

(witregel?)

En ik wist het, hij was uit de hemel gevallen. Even ervoor nog identificeerde hij zich ook met de zon, ik bedoel, hij was ook de zon en nu was hij een ‘ik’ en de zon was de zon. Ongelooflijk eigenlijk. Dat ik daar zo bewust getuige van mocht zijn. 

Mijn eigen ‘vallen uit de hemel’ kan ik me niet meer herinneren. 

Tijdens cursusdagen vraag ik aan de deelnemers naar hun vroegste herinneringen. Heel vaak komen er dezelfde soort verhalen uit. Wat me opvalt aan de vroegste herinneringen van de deelnemers aan de cursussen in de loop van de jaren is dat het ‘uit de hemel vallen’, of uit het geheel vallen, vaak een negatieve ervaring is, in enkele gevallen is het een gelukkige ervaring. Bij Pepijn was het eigenlijk best wel een gelukkige ervaring. En verder wat me opvalt, veel mensen worden zich op zo’n moment van zichzelf bewust, dat zien ze terugblikkend op hun vroegste herinneringen wel, maar pas als ik erop wijs, valt het hen op dat ze zich op dat moment ook pas bewust worden van het andere.

Het is letterlijk een in tweeën splijten van de wereld in een het zelf en het andere. Terwijl, nogmaals, even ervoor de wereld nog een geheel was.

Mensen renden rond en knalden met hun hoofd tegen de tafel en werden zich bewust van zichzelf (hun pijn) en de tafel, mensen vielen van de trap, mensen waren bang omdat ze opeens hun vader of moeder kwijt waren, een iemand vertelde het verhaal van dat ze aan moeders rokken hing tijdens het winkelen, dat ze losliet om iets nader te bekijken en dat ze zonder verder op te letten weer naar moeders rokken greep, maar toen ze opkeek, was het een andere vrouw. Ze schrok zich een hoedje. Weer iemand anders zat aan tafel te eten en opeens was de vader ontzettend boos, nog steeds ziet hij het boze gezicht van zijn vader. En hij werd zich dus bewust van zichzelf, dat hij blijkbaar iets fout had gedaan. 

Allemaal momenten waar angst, schrik, pijn, woede een rol speelde bij het uit de hemel vallen. Een plotselinge heftige emotie en een besef, ik ben niet de zon, nee, ik ben ik. Ik ben niet de tafel, nee, ik ben ik. Ik ben niet m’n moeder, nee, ik ben ik. Enzovoorts.

Toch waren er ook positieve verhalen. Misschien doet het er niet toe, positief of negatief. Iemand zat achter in de auto die langzaam door een laan reed, afwisselend reden ze door de schaduw van de bomen en in de zon, licht, donker, licht, donker. Dat maakte haar wakker voor haarzelf ten opzichte van het andere. Het voelde heel mooi en veilig zei ze.

Dat is een groot verschil met de negatieve ervaringen, in dit geval ging het gevoel van eenheid niet (meteen) verloren en toch werd ze wakker voor haarzelf ten opzichte van het andere. 

Het zelf/het andere

subject/object

geest/materie

vorm/substantie

idee/verschijning

voorstelling/ding an sich

Het vraagstuk van de dualiteit is net als het vrije-wilsvraagstuk bijna 3000 jaar oud. Vanaf het moment dat de oude Griek ging filosoferen, maakte hij onderscheid tussen zichzelf en het andere, benoemde het op steeds weer nieuwe manieren…

Voor mij is het een vraag, wederom sinds mijn studietijd, sinds ik me ging verdiepen in de grondslagen van het westerse wetenschappelijke denken. Om die reden schreef ik me ook in op de universiteit van Nijmegen, filosofie op basis van een niet filosofische propedeuse. Ik studeerde Tropische Cultuurtechniek in Wageningen, weet je wel, mocht van m’n vader ook een jaar in het buitenland studeren, dat werd St. Andrews, Schotland, waar ik filosofie en psychologie studeerde. Na dat jaar ging ik ook filosofie in Nijmegen studeren, omdat ik me verdiepte in de grondslagen van het moderne wetenschappelijke denken, met name met betrekking tot sociale vraagstukken dus, met name met betrekking tot de groeiende kloof tussen rijkdom en armoede. 

Dualiteit.

Verwachtingsvol zat ik voor het eerst bij het college Kenleer te wachten op de docent. Hij kwam binnen, stelde zichzelf voor en zei: “Alle filosofen zijn het erover eens, aan de ene kant heb je het kennende subject, aan de andere kant het te kennen object, maar hoe die twee zich tot elkaar verhouden… daar gaan we het de komende twaalf weken over hebben.” En ik voelde de moed in m’n schoenen zinken. Iets klopte er niet aan deze uitspraak, dat voelde ik wel aan, maar kon ik in begrippen nog lang niet bevatten. Bovendien durfde ik niet meteen de eerste les alle filosofen in twijfel te trekken. 

Tijdens dat jaar filosofie in Nijmegen volgde ik ook een vak getiteld: wijsgerige antropologie, wat maakt de mens tot mens? Tijdens de colleges viel de term ‘mythisch bewustzijn’. Vóór de mens het wakkere denkende bewustzijn van tegenwoordig had, leefde hij in het zogenoemde mythische bewustzijn. Weken, nee, maanden hield ik me bezig met de bewustzijnsontwikkeling van de mens. Of eigenlijk, sindsdien houd ik me ook bezig met de bewustzijnsontwikkeling van de mens. Blijkbaar maakt de mens verschillende stadia van bewustzijn door, nu leven we in het tijdperk van het wakkere denkende bewustzijn, ervoor leefde de mens in het tijdperk van het mythische bewustzijn. Is dat zo? En welke stadia van bewustzijn volgen op het huidige bewustzijn? Is het misschien nodig om de kloof tussen rijkdom en armoede te dichten, dat we een nieuw soort van bewustzijn ontwikkelen? En zo ja, hoe doen we dat dan?

Hoe dan ook, toen ik in Nijmegen studeerde, verdiepte ik me op mijn manier in het mythische bewustzijn van de mens, op mijn invoelende, inlevende manier. Ik wilde weten hoe het was, hoe het voelde, hoe de mens toen zichzelf in de wereld beleefde, welke consequenties dat had voor alles wat de mens deed. Het tijdperk van het mythische bewustzijn is de tijd waarin de mythen en sagen ontstonden, het is de tijd van het oude Egypte, het is de tijd vóór de oude Grieken en Romeinen, de tijd vóór dat de filosofie (bij de Grieken) en het recht (bij de Romeinen) ontstond. Mensen leefden toen in een soort van een eenheidsbewustzijn, ze hadden nauwelijks bewustzijn van zichzelf ten opzichte van het andere, ze identificeerden zich met het volk waartoe ze behoorden, de familie, de stam waartoe ze behoorde, ze keken naar het familiehoofd, de stamoudste, de priester/koning, de farao als ze een soort van een ‘ik’-beleving wilde hebben, ze hielden van iedereen met hetzelfde bloed, haatten mensen die tot andere volkeren behoorden, van vreemde bodem waren. 

Ik stel me het mythische bewustzijn voor als het bewustzijn van het kind voor het ‘uit de hemel valt’, het bewustzijn van Pepijn voor hij zich realiseerde dat hij niet de zon was, maar zichzelf. 

Na maanden van mezelf verdiepen in het mythische bewustzijn, kwam ik tot dit gedichtje:

Weet je, ik zag je in het bos bij een beekje, 

stapte op een takje dat krakte en toen keek je.

Mijn conclusie van die maanden onderzoek naar de bewustzijnsontwikkeling van de mens: de mens maakt verschillende stadia van bewustzijn door, het lijkt alsof de overgang van de ene vorm van bewustzijn naar een andere vorm van bewustzijn aanvankelijk vanzelf ging, ik denk dat om uit de huidige neerwaartse spiraal te geraken waarin de mensheid verkeert er een nieuwe vorm van bewustzijn ontwikkeld moet worden, deze keer gaat het niet vanzelf, van buitenaf, deze keer moet de mens dat op de een of andere manier zelf doen, van binnenuit. Dat nieuwe bewustzijn is een soort synthese van het voormalige mythische bewustzijn (eenheidsbewustzijn, non-duale bewustzijn) en het huidige wakkere denk-bewustzijn, het subject-object-bewustzijn, duale bewustzijn.

Verandering van bewustzijn gaat gepaard met heftige gebeurtenissen/maatschappelijke veranderingen. Aanvankelijk volgden de heftige gebeurtenissen/maatschappelijke veranderingen op de verandering van bewustzijn, nu leven we in een tijd van heftige gebeurtenissen/maatschappelijke veranderingen die steeds meer mensen persoonlijk raken en aanzetten tot verdere ontwikkeling van het bewustzijn. Sterker nog, we moeten ons bewustzijn wel verder ontwikkelen, want anders kunnen we de kloof tussen rijkdom en armoede niet dichten. 

Het huidige uitgangspunt is dus dat wakkere denkende bewustzijn, dat subject/object-denken. Kan ik mezelf vanuit dat subject/object-denken optillen tot in een nieuwe vorm van bewustzijn?

Dat is de vraag.

Bij mijn weten bereikte het subject/object-denken (dat dus begon met het filosoferen van de oude Grieken) een hoogtepunt (of moet je zeggen dieptepunt) bij Descartes. Ik weet niet of het klopt, maar dit is mijn ingeleefde versie van de geschiedenis van het denken. Descartes twijfelde aan alles, werkelijk alles. Alles wat hij waarnam kon hij betwijfelen, er was echter één waarneming waaraan hij niet kon twijfelen, en dat was zijn eigen twijfel-gedachte, die hij beleefde als door zichzelf gecreëerd. Hij beleefde zich (in mijn termen) als een in zichzelf opgesloten denkende ziel, die alleen zeker kon zijn van zichzelf als denkende ziel enerzijds, ten opzichte van al het andere dat je altijd weer kon betwijfelen, van al het andere wist je oorsprong en bestemming niet, het was vreemd. Ziehier, de absolute tegenstelling tussen de mens als denkend (het kennende) subject en al het andere (het vreemde) als het niet-denkende (te kennen) object.

Het huidige bewustzijn doet de wereld uiteenvallen in subject en object, in geest en materie. De mens beleeft zichzelf als geest ten opzichte van al het andere dat hij via de waarneming leert kennen als materie. 

Tegelijkertijd

Voel je dat je deel uitmaakt van het geheel, met het andere maak je deel uit van een groter geheel, dat ene hele wereldgebeuren. Dit gevoel roept verlangen op naar eenheid, naar overwinning van de tegenstelling tussen subject en object, tussen geest en materie. 

Klopt dat?

Ik voel in ieder geval het verlangen naar eenheid, naar heelheid. Als ik me verdiep in oosterse filosofieën dan kom ik tot de conclusie dat ook dat allemaal scholingswegen zijn, oefen-wegen om de eenheid te herstellen. Maar ook religie is wat mij betreft het streven naar eenheid, heelheid. Zowel bij de Katholieken als de Protestanten staat centraal de communie, het eten van het brood, het lichaam van Christus om je deel van het geheel te voelen, de tweeheid op te heffen, de eenheid te herstellen. Zou wel eens willen weten wat het diepste verlangen van moslims en joden is. Ook het herstellen van eenheid, het opheffen van de tweeheid?

Klopt dat? Of vergis ik me?

Zelfs kunstenaars zijn bezig om op de een of andere manier die tweeheid op te heffen. Zij drukken hun innerlijk uit in de wereld buiten hen in de materie, zodat ze zichzelf in de wereld kunnen ontmoeten. Zij drukken hun geest uit in de materie. En doen wetenschappers eigenlijk niet hetzelfde, maar dan omgekeerd? Zij verdiepen zich in feiten en gebeurtenis, in processen… zij maken zich die eigen zodat de eenheid wordt hersteld, er (wederom) heelheid is?

Het lijkt wel of verlangen naar eenheid, heelheid de mens drijft, voor zover de mens niet streeft naar bevrediging van materiële behoeften. En misschien komt zelfs het streven naar bevrediging van de materiële behoeften voort uit het verlangen om eenheid te herstellen tussen subject en object, tussen geest en materie. 

Iets waar Rupert Sheldrake ook opmerkt, is de zogenoemde shortcuts naar herstel van eenheid. Valse strategieën als je het mij vraagt. Je kunt namelijk in één beweging de eenheid herstellen door simpelweg één van beide tegenstellingen te ontkennen of door een iets magisch in één keer geest/materie te omvatten, daarmee je eigen ervaring van enerzijds jezelf en anderzijds het andere te ontkennen.

Hoe bedoel je?

Je kunt de geest ontkennen, dan houd je alleen nog materie over, dat maakt je tot een materialist, iemand die gelooft dat er alleen maar fysische- en materiële processen zijn. Maar zelfs de grootste materialist kan de ervaring van gedachten en gevoelens niet ontkennen. Hij zal daarom innerlijk leven, het gedachten- en gevoelsleven moeten verklaren als fysische- en chemische processen. En dat is precies wat de materialist doet. Dick Swaab, Victor Lamme als vertegenwoordigers van de reguliere materialistische wetenschap beweren dat gedachten worden geproduceerd door hersenprocessen, dat gevoelens stofjes zijn. Liefde is een stofje. Terwijl ze, als wetenschappers zijnde, nog nooit gezien hebben hoe gedachten door hersenprocessen worden geproduceerd. Het is een aanname, een veronderstelling. Wat voor gevoel krijg ik als ik het idee ‘gedachten worden geproduceerd door hersenprocessen’ innerlijk bekijk? Ik krijg dan een soort kortsluiting. Het idee dat gedachten worden geproduceerd hersenprocessen is op zichzelf een idee, dat dus wordt geproduceerd door hersenprocessen. Ik kom in een loupe terecht, een zichzelf opheffende tegenstelling het idee dat ideeën materie zijn, is als een bakker die zegt dat hij slager is, rood dat zegt groen te zijn, zee die zegt land te zijn. Wat mij betreft, kan het gewoon niet. Intussen ontvangen Dick Swaab en Victor Lamme miljoenen subsidie om steeds grotere machines te bouwen, die hersenprocessen kunnen waarnemen, in de hoop dat ze ooit zullen zien dat gedachten worden geproduceerd door hersenprocessen. Ik zeg je, het is weggegooid geld. Kun je veel beter aan kunstenaars geven.

Omgekeerd kun je ook de materie ontkennen, dan houd je alleen nog geest over, dat maakt je tot een spiritualist. Spiritualisten zeggen: er is alleen maar geest, er is alleen maar God, er is alleen maar ‘ik’… Alles wat ik waarneem, is een projectie van de geest. Een beetje zoals in de film The Matrix, alles wat we zien en beleven, speelt zich alleen maar af in het bewustzijn van het individu. De hele wereld, al het andere, wordt door de geest, door God, door mezelf in het bewustzijn geplaatst. Ook honger? Ook honger. Dus een hongergevoel en het feit dat ik vervolgens wat eten klaarmaak en tot me neem, allemaal projectie? Als ik een boom om hak, in stukken zaag, kloof en vervolgens verbrand om me lekker te verwarmen, allemaal projectie? Waarom moet ik al die werkzaamheden verrichten? Waarom is het dan niet genoeg om ze me gewoon voor te stellen? Als ik honger heb, stel ik me voor dat ik een spinazietaart klaar maak en eet. En dan heb ik geen honger meer. Nee, ook dit idee veroorzaakt een soort van kortsluiting in me. 

Zoals de materialist, wat mij betreft, de geest niet kan wegdenken en/of verklaren als een bijzondere vorm van materie, kan de spiritualist de materie niet wegdenken en/of verklaren als een bijzondere vorm van geest. 

Enerzijds neem ik een wereld waar vol feiten en gebeurtenissen, stenen, planten en dieren en andere mensen, anderzijds beleef ik mezelf als een denkend en voelend wezen. Het ene noem ik materie, het andere geest. Ik heb er mee te dealen, maar ik weet nog niet hoe.

Er is nog een derde weg, een derde short cut. Is er ook een gezonde weg om te dealen met dualiteit?

Eerst die derde short cut. 

Mensen die de geest serieus willen nemen én tegelijkertijd een wetenschappelijke weg zoeken, de moderne westerse mens dus, zien de kwantummechanica als de oplossing van het geest/materie-vraagstuk. In het atoommodel van Niels Bohr (fysicus begin 20ste eeuw) krijgen zowel geest als materie een plek. Al naar gelang de waarnemer verschijnt licht (een foton) het ene moment als materie en het andere moment als golf (geest). Dit model is dus een idee dat in één beweging geest én materie een plek geeft. En ook verklaart?

Als ik dit idee innerlijk doorvoel, dan beleef ik slechts een verschuiving van het probleem. Ik als individu beleef het universum enerzijds als materie, anderzijds als geest, duaal. En nu verzin ‘ik’ een theorie, die ‘verklaart’ dat geest en materie één zijn, ‘ik’ creëer een model dat geest en materie tot één geheel verenigt. Vraag: hoe komt het dat iets dat een geheel is, enerzijds als materie en anderzijds als geest verschijnt? 

Ondanks dit model van Niels Bohr heb ik nog steeds te dealen met dualiteit en met mijn verlangen naar heelheid.

Allemaal shortcuts, allemaal pogingen om de eenheid te herstellen respectievelijk heelheid te creëren zonder je werkelijk uiteentezetten met de ervaring van geest enerzijds en materie anderzijds. zonder je werkelijk uiteentezetten met jezelf als subject ten opzichte van al het andere (het hele universum, inclusief alle andere mensen) als object.

Net zoals het vrije-wilsvraagstuk is het geest/materie-vraagstuk niet voor eens en voor altijd en voor iedereen in één keer op te lossen. Een ieder heeft het voor zichzelf iedere keer weer opnieuw op te lossen. Of eigenlijk, ik heb er gewoon mee te dealen. Heb ik een vrije wil? Of niet? Kan ik mijn verlangen naar heelheid vervullen? Of niet?

Als kind leefde ik ooit in een soort van eenheidsbewustzijn, in een tijd nog voordat ik ‘ik’ zei. In een tijd nog voor ik onderscheid kon maken tussen mezelf en al het andere. Als mensheid leefde ik ooit in het mythische bewustzijn. Beleefde ik toen eenheid? Heelheid? Kan ik op de een of andere manier opnieuw een vorm van bewustzijn verkrijgen die mijn verlangen naar heelheid vervult?

Is deze vorm van bewustzijn nodig om de groeiende kloof tussen rijkdom en armoede te dichten?

Het besef dat ik niet alleen Jac Hielema ben, geboren op donderdag 1 oktober 1964 rond kwart over vier ‘s middags, maar ook dat bedelende meisje even buiten dat chique restaurant in Mumbai (voorheen Bombay) India?

het perspectief van Jac Hielema:

Toen ik zestien was, werd ik me bewust van de schrijnende tegenstelling tussen rijkdom en armoede. Dat was tijdens een reis door India met mijn ouders, de zakenpartners van mijn vader en hun aanhang. We verlieten net vol gegeten en gedronken een chique restaurant. Een klein meisje, vies gezichtje, kapot jurkje, vroeg mij om geld. Ze had honger gebaarde ze in internationale gebarentaal. Ik schudde mijn hoofd, want geld had ik niet op zak. Mijn vader droeg de portemonnee. Zij viel op haar knieën met angstige ogen, boog, kuste m’n voeten en keek weer naar me op, haar ene hand wrijvend over haar buik, haar andere hand naar geld vragend omhoog naar mij. Weer schudde ik m’n hoofd. Op dat moment stopte de taxi waarin het hele gezelschap intussen had plaats genomen vlak achter me, deur open, ik werd naar binnen getrokken, deur dicht, de taxi reed door. Door de achterruit zag ik nog net hoe het meisje door een even vies, maar iets ouder jongetje met de vlakke hand in haar gezicht werd geslagen, links rechts links rechts.

het perspectief van het bedelende meisje:

Ik zag ze al zitten, de rijke mensen, hun vrouwen en hun kinderen, in het chique restaurant. Even moest ik nog wachten en toen waren ze klaar. Ze stonden op, obers namen de tafel af, de blanke man betaalde. Mijn ogen waren gericht op de witte jongeman, hem durfde ik wel aan te spreken, de andere mannen maakten me bang. Toen kwamen ze één voor één naar buiten: een Indiase vader en moeder met twee meisjes, een Arabische man en vrouw, een blanke vrouw, haar man die net had afgerekend en tenslotte de witte jongeman. Voorzichtig tikte ik hem op z’n arm. Hij zag me al, ik hield m’n hand vragend op, wreef met m’n andere hand over mijn buik. Zijn ogen keken warm en zacht, maar hij schudde zijn hoofd, de schrik sloeg om mijn hart. Op mijn knieën viel ik voor hem neer, kuste zijn voeten en keek weer naar hem op, mijn ene hand vragend om geld, mijn andere hand wrijvend over mijn buik. Weer schudde hij zijn hoofd, mijn hart klopte in mijn keel, Dhruv, mijn oudere broer stond te kijken hoe ik het deed. Op dat moment stopte er een taxi waar het hele gezelschap al in zat, de portier ging open, de witte jongeman werd naar binnen getrokken, de portier ging weer dicht. Terwijl de taxi weg reed, kwam Dhruv naar me toe, greep me met zijn ene hand bij mijn jurkje en sloeg me met zijn andere hand in mijn gezicht, links rechts links rechts.