Even mezelf voorstellen…

Misschien moest ik mezelf eerst eens even voorstellen?

wie ben ik? 

Mezelf voorstellen. Welke voorstelling van mezelf presenteer ik jou?

Om mezelf voor te kunnen stellen, moet ik mezelf eerst leren kennen. En om mezelf te kunnen leren kennen, moet ik mezelf opsplitsen in een mezelf als het kennende subject en mezelf als het te kennen object.

Toch?

Terugblikkend op mezelf zie ik dat ik mezelf de vraag naar Wie ben ik? voor het eerst stelde toen ik 21 jaar oud was. Van mijn vader mocht ik destijds een jaar in het buitenland studeren, dat werd uiteindelijk St. Andrews, Schotland. Van september 1985 tot en met juni 1986 woonde ik in “Castle Gate”, een huis aan de oostkust. Vanuit mijn kamer zag ik uit op de ruïnes van een kasteel en de zee. Gedurende de maanden maart, april en mei 1986 sleepte ik mezelf regelmatig ’s ochtends uit bed de grote stoel voor het raam in en keek naar hoe de zon langzaam uit de zee rees.

Wie ben Ik?

Laat ik maar eerst eens even een stukje biografie schetsen, een stukje levensgeschiedenis tot het moment waarop ik mezelf de vraag naar wie ben ik nou eigenlijk stelde. Tot het moment eigenlijk, waarop ik vast kwam te zitten.

Op 1 oktober 1964 werd ik als Jac Hielema geboren in Geleen, Zuid-Limburg, tegenover de mijn Maurits. Mijn moeder (Eindhoven, 1940) was Rooms Katholiek en mijn vader (Groningen, 1937) Gereformeerd. Ze trouwden in 1962 in de Nederlands Hervormde Kerk. In die kerk ook werd ik gedoopt. Ik groeide bijbels op. Ik zeg niet religieus. Religie heeft voor mij later een andere betekenis gekregen, daarom kan ik nu niet meer zeggen dat ik religieus ben opgevoed, wel kerks, met de bijbel dus.

Mijn vader werkte bij de Nederlandsche Staatsmijnen, vandaar dat ik in Zuid-Limburg werd geboren. Hij bouwde chemische fabrieken. Al vlug werd hij uitgezonden naar andere plaatsen ook in andere landen om ook daar fabrieken te bouwen. Zo doende verhuisden we om de haverklap. Mijn moeder, die onderwijzeres was, gaf haar baan op en volgde mijn vader. Van Geleen via Rusland, terug naar Geleen en Puth-Schinnen naar Rhoon bij Rotterdam. Daar werd in januari 1967 mijn zusje Annemarie geboren. Mijn moeder was intussen full time moeder en huisvrouw. En het reizen ging verder. Van Rhoon via Bergen, België en Puth-Schinnen, Oulu, Finland weer terug naar Puth-Schinnen en door naar Harderwijk, waar bij mijn zusje leukemie werd geconstateerd. Vervolgens verhuisden we naar Den Haag, want dat was dichterbij het academisch ziekenhuis in Leiden én het nieuwe werk van mijn vader bij een groot ingenieursbureau, hoofdkantoor Scheveningen. Mijn zusje stierf in mei 1972. Een week later zat ik achter in de auto op weg naar een dorpje bij Leipzig, DDR waar mijn vader wederom een chemische fabriek mocht bouwen. Daar ging ik naar de Karl-Marx-Schule en mijn moeder ging (als vrijwilliger) werken bij de vakgroep Nederlands op de Karl-Marx-Universität in Leipzig.

Behalve bijbels werd ik ook opgevoed met groot ontzag voor wetenschap.

Na de DDR-tijd, keerden we terug naar Den Haag waar mijn moeder Duits ging studeren op de Universiteit van Leiden, mijn vader verder carrière maakte bij het ingenieursbureau, hoofdkantoor Scheveningen en ik naar de Ds D.J. Karresschool ging voor Christelijk basisonderwijs.

En iedere zondag bezochten we de Nederlands Hervormde Kerk.

Intussen verdiende mijn vader aardig wat geld en vatten mijn ouders het idee op om een huis te kopen ergens in een dorp op het platteland. Dat dorp werd Kruisland bij Roosendaal in het westen van Brabant. Mijn moeder studeerde door, werd lerares Duits en studeerde tenslotte af. Mijn vader werd directeur van een vestiging van dat ingenieursbureau in Saoedi-Arabië. Mijn moeder en ik bleven in Nederland, mijn vader was iedere maand 20 dagen in Saoedi-Arabië en 10 dagen bij ons in Nederland. Mijn moeder gaf les op een gymnasium in Breda, ik ging naar een Rooms Katholieke middelbare school in Roosendaal. En (bijna) iedere zondag gingen we naar de Nederlands Hervormde Kerk in Kruisland, Oud-Gastel of Oudenbosch. Dat was één Nederlands Hervormde gemeente.

Ik kon goed leren op school en was voorbestemd om te gaan studeren op een universiteit, ik wist nog niet wat. Intussen ging ik ook naar catechisatie als voorbereiding op de openbare belijdenis in de kerk. Ik vond het heerlijk om de dominee allerlei vragen te stellen over de bijbel, Christus, het geloof, en de maatschappelijke relevantie ervan. Ik las boeken over Indianen, zag de film Gandhi en luisterde naar the Beatles. Net als John Lennon was ik een pacifist en droeg een gebroken geweertje. 

Voor het eerst was er een autoriteit, de dominee, aan wie ik vragen mocht stellen, die echter mijn vragen niet op een voor mij bevredigende manier kon of wilde beantwoorden, mijn mede-catechisanten keurden zelfs openlijk mijn vragen af. Vragen als: Jezus kwam op voor de armen en de onderdrukten, je zou zeggen dat Hij links was, maar de christelijke politieke partijen zijn rechts, hoe kan dat? En: God had de wereld zo lief, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf “opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft”. Die “eniggeboren Zoon” werd gekruisigd, stierf en stond met Pasen weer op. Was God nu ook een Christen geworden in tegenstelling tot de God van het oude testament, de God van de Joden?

Toen mijn moeder even later diaken werd, deed ze een vorm van belijdenis. Ze verklaarde dat ze geloofde in Jezus Christus de zoon van God, die heeft geleefd en die is gestorven en weer opgestaan enzovoorts enzovoorts enzovoorts. Toen voelde ik dat ik geen belijdenis wilde doen. Ik wilde niet geloven, ik wilde weten. En als ik al wilde geloven, dan wilde ik zelf bepalen wat ik geloofde. Bovendien zat ik toen al in een innerlijk conflict tussen wetenschap en religie. Volgens de wetenschap was de wereld door toeval ontstaan en stamde de mens af van de aap, volgens de bijbel was de wereld door God geschapen en de mens naar Zijn beeld. Ik wilde geen twee verhalen, ik wilde één verhaal. Dit alles had ik toen nog niet zo scherp, dat kwam later pas.

Ik deed dus geen belijdenis. Stapte uit de kerk. Smeet de bijbel in een hoek. En richtte me tot de wetenschap.

Rond Pasen 1981 reisde ik met mijn ouders door India en werd ik geconfronteerd met de schrijnende tegenstelling tussen mijzelf als rijke blanke westerse welopgevoede jongeman en een vijf- of zesjarig bedelend donker oosters meisje, dat mijn voeten kuste en geld van mij wilde. Achteraf – ja, ik las ergens in die tijd ook Siddartha van Herman Hesse – was dat mijn grote Boeddha-ervaring, niet eens de eerste. Door de ziekte en de dood van mijn zusje was ik immers al geconfronteerd met ziekte en dood. Met ouderdom was ik nog niet geconfronteerd. Intussen wel, mijn grootouders aan vaderskant werden weliswaar nog geen tachtig, mijn grootouders aan moederskant werden 90 en 93 jaar oud. Rond Pasen 1981 dus werd ik geconfronteerd met de kloof tussen rijkdom en armoede. Op grond van deze Boeddha-ervaring besloot ik om Tropische Cultuurtechniek te studeren op de Landbouwuniversiteit van Wageningen. Ik wilde begrijpen hoe die kloof was ontstaan en ik wilde weten wat ik eraan kon doen. 

Na twee jaar Wageningen mocht ik van mijn vader dus een jaar in het buitenland studeren. Omdat ik in die twee jaar nog geen enkel bevredigend antwoord had gekregen op de vragen naar de kloof tussen rijkdom en armoede en wat ik eraan kon doen, koos ik voor Filosofie en Psychologie op de universiteit van St. Andrews in Schotland. Ik wilde weten hoe ik überhaupt bevredigende antwoorden kon vinden op de vragen die ik stelde én ik wilde de mens (mezelf), zijn denken en handelen, begrijpen. Maar ook in St. Andrews bleven mijn vragen enerzijds onbeantwoord en werd ik anderzijds overstelpt met antwoorden waar ik niet om vroeg.

En daar zat ik dan, in mijn pyjama onder een deken, in de grote stoel voor het raam met uitzicht op zee en keek naar de zonsopkomst.

Ik was vastgelopen, niet alleen in de kerk, maar nu ook op de universiteit. Ja, ik zat vast. Ik was nog maar net 21 jaar oud en wist echt niet hoe ik verder kon.

Wie ben Ik?

Volgens de bijbel was Ik geschapen naar Gods beeld. Die lag echter in een hoek. Volgens de wetenschap was Ik een complex van fysische- en chemische processen, door toeval ontstaan. Volgens de psychologie streefde ik naar plezier en vermeed ik pijn. Zelfrealisatie was mijn diepste behoefte volgens Maslow. In mijn lichamelijke behoeften was ik voorzien, ik was een rijke jongeling. Mijn vader verdiende best veel. Mijn bestaan was in redelijke mate veilig en zeker, ondanks oorlog en geweld op tv. Ik woonde in een huis met vijf andere studenten, dus ook in sociale contacten was ik voorzien. Tot dan toe was ik succesvol geweest op school en op de universiteit, ik kreeg de nodige erkenning en waardering. Ik had zelfs ervaringen gehad die door Maslow als peak-experiences worden beschreven, ten teken dat ik op de goede weg zat naar zelfrealisatie. Tijdens zulke ervaringen voelde ik me één met het Al en was ik door en door gelukkig. En toch wist ik niet wie Ik was, hoe ik mezelf moest begrijpen, wat ik wilde en wat ik kon.

Dus wat deed ik? Ik schonk mezelf nog een kop koffie in en keek naar de opkomende zon boven zee.

Ik ervoer de vraag naar mezelf, of eigenlijk alle vragen, allereerst als een ken-probleem. Hoe kan ik überhaupt bevredigende antwoorden vinden op de vragen die ik mezelf stel? Of het nu vragen zijn over de wereld, hoe die is ontstaan, hoe die zich ontwikkelt, enzovoorts, of vragen naar de mens, hoe die is ontstaan, hoe die zich heeft te ontwikkelen, of de waarde en de zin van het leven enzovoorts, om bevredigende antwoorden te vinden, moest ik eerst het kennen zelf leren kennen. Maar ook bij de colleges Theory of Knowledge (kenleer) kreeg ik geen bevredigende antwoorden op mijn vragen naar het kennen. In mijn beleven beruste alles wat werd gedoceerd, of het nu door de professoren op de universiteit of door de dominees in de kerk was, op vooronderstellingen en aannames, op geloof dus. Van één ding was ik zeker, alleen antwoorden die ik zelf kan doorzien, ervaren, waarnemen, die zijn bevredigend. Antwoorden die ik niet kan doorzien, moet ik aannemen, op grond van wat? Op grond van de autoriteit van de professor of de dominee? Nee, ik ben niet voor niets een westerse jongeman, een Europeaan, door de verlichting gegaan. Ik erken geen autoriteit. Dat wil zeggen, niet op het gebied van kennis. Qua kennis neem ik niets aan.

Ik zat vast en wist niet wat ik nog kon doen behalve een kop koffie drinken terwijl ik naar de zon boven de zee keek.

Misschien moest ik mezelf eerst eens even begrijpen?